Overslaan en naar de inhoud gaan

Kemangeh roumy

Februari 2023

Fig.1

Kemângeh roumy, Egypte, 1701-1800

Kemângeh roumy, auteur Egypte, 1701-1800, inv. 0225

Fig.2

François-Joseph Fétis (1784-1871)

François-Joseph Fétis (1784-1871)

Fig.3

Stemming van de kemângeh roumy, François-Joseph Fétis, Parijs, 1869

Stemming van de kemângeh roumy, François-Joseph Fétis, Parijs, 1869

Fig.4

Plaat AA van Villoteau (in Description de l’Égypte. Panches, 1817), n° 14: Kemangeh roumy

Plaat AA van Villoteau (in Description de l’Égypte. Panches, 1817), n° 14: Kemangeh roumy

Een Egyptische viola d’amore in Brussel

Toen Victor Mahillon (1841–1924), de eerste conservator van het instrumentenmuseum van het Conservatorium van Brussel, in 1878 begon met het inventariseren van de bijna 300 instrumenten die de nieuwe collectie toen telde, classificeerde hij dit instrument als een Duitse viola d’amore. Vanuit een formeel en functioneel oogpunt was dat geen onlogische beslissing. De morfologie is inderdaad die van een viola d’amore, een gestreken chordofoon met meetrillende of resonantiesnaren, die in de achttiende eeuw een zeker succes kende, vooral in Duitstalige landen en in Italië.

Vandaag weten we dat instrument inv. nr. 0225 (fig.1) afkomstig is uit Egypte. Op vraag van François-Joseph Fétis (1784–1871) (fig. 2), directeur van het Brusselse Conservatorium en kapelmeester van Leopold I, kocht de Belgische regering in 1839 een collectie van zestien Arabische instrumenten aan via Étienne Zizinia (of Stephanos Tsitsinias, 1794–1868), een rijke Griekse scheepsmagnaat, genaturaliseerd tot Fransman en net benoemd tot Belgisch consul in Alexandrië.

Onder de zestien instrumenten die Zizinia in Alexandrië voor Fétis verzamelde – luiten, fluiten, hobo’s, trommels, lieren, zithers en violen – bevond zich deze "kemangeh roumy". Zoals gezegd vertoont het instrument kenmerken van een Europese viola d’amore: het heeft zeven spelende (melodische) snaren en zeven meetrillende snaren, die onder de fretloze toets lopen (fig. 3). De klankgaten hebben de vorm van vlammen, een typisch kenmerk van de viola d’amore. De zwarte lak die het instrument bedekt, is een karakteristiek element van strijkinstrumenten gebouwd in Oostenrijk in de tweede helft van de achttiende eeuw.

Volgens Fétis onderscheidt de kemangeh roumy zich van de Europese viola d’amore door de stemming, die het tegenovergestelde is van die van Europese strijkinstrumenten. Uit intern onderzoek blijkt echter dat het instrument gebouwd werd door een Europese bouwer, of iemand die opgeleid was in Europese technieken. Waarom zette Fétis dan een herstemde Europese viola d’amore op zijn Egyptische ‘verlanglijstje’?

Tussen oosterse invloeden en Europese bouwtraditie

Veertig jaar vóór Fétis had Guillaume André Villoteau (1759–1839), een van de geleerden die deelnam aan Napoleons Egyptische campagne (1799–1801), een soortgelijke kemangeh roumy afgebeeld in de beroemde Description de l’Égypte, op een plaat getiteld: “Instruments orientaux connus en Égypte” (fig. 4). Fétis kende deze publicatie goed. Hij hoopte waarschijnlijk een soortgelijke Egyptische collectie samen te stellen, wat de reden kan zijn waarom hij een kemangeh roumy op zijn lijst voor Zizinia zette.

De getuigenissen van Villoteau en Fétis doen vermoeden dat de Europese viola d’amore aan het eind van de achttiende eeuw werd gebruikt door plaatselijke muzikanten in Egypte. We weten dat deze instrumenten in de tweede helft van de achttiende eeuw verhandeld werden tussen Europa en het Ottomaanse Rijk – waartoe Egypte uiteraard behoorde, ondanks de mamelukse drang naar autonomie. De eerste meldingen van viola d’amore in Istanbul dateren van de jaren 1760. In zijn Mémoire sur les Turcs et les Tartares beschrijft baron de Tott (1733–1793) een concert van een Turks kamerorkest met een viola d’amore. De sine keman, de Turkse benaming van de viola d’amore (“borstvedel”), werd een van de favoriete instrumenten van het Ottomaanse hof, waar het de kemançe, een Perzische spijkervedel, verdrong.

In Egypte werd de viola d’amore roumy-vedel of Griekse vedel genoemd, wat verwees naar de niet-islamitische, buitenlandse oorsprong van het instrument. Toen Villoteau aan het eind van de jaren 1790 in Caïro een kemangeh roumy aantrof, beschreef en illustreerde hij het, maar vond het niet interessant genoeg om een exemplaar mee terug te nemen naar Frankrijk.

Een migrerend en uniek instrument

Afgezien van Villoteau’s illustratie en het instrument van Fétis zijn er geen andere Egyptische kemangeh roumy’s in de vorm van een viola d’amore bekend. Het instrument van Fétis is dus wellicht het eerste – en mogelijk het enige – dat zijn weg naar Europa heeft gevonden. Waarschijnlijk werd het gebouwd in Oostenrijk, reisde het van Wenen naar Alexandrië en uiteindelijk naar Brussel.

Na de dood van Fétis in 1871 verkochten zijn zonen Édouard en Adolphe zijn instrumentencollectie aan de Belgische staat. In 1873 werd de collectie ondergebracht in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium. In 1877 verhuisde ze naar het nieuwe instrumentenmuseum van het Conservatorium, waar ook de kemangeh roumy een plaats kreeg.

Tekst: Saskia Willaert, Fañch Thoraval, Anne-Emmanuelle Ceulemans

Volledige studie