Épinette des Vosges
November 2026
Fig.1

Epinette, A. Lambert-A. Balandier, Val d’Ajol, 1885/1895, inv. 3313
Fig.2

Epinette (detail), A. Lambert-A. Balandier, Val d’Ajol, 1885/1895, inv. 3313
Fig.3

Epinette (detail), A. Lambert-A. Balandier, Val d’Ajol, 1885/1895, inv. 3313
Fig.4

Feuillée Dorothée, voor 1878 (coll. Christophe Toussaint, epinette.free.fr)
Fig.5

Dorothée Vançon (coll. Christophe Toussaint, epinette.free.fr)
Fig.6

Feuillée Dorothée, 1883, Amé Lambert, zijn vrouw Amélie Cloléry en zijn dochter Gabrielle (coll. Christophe Toussaint, epinette.free.fr)
Fig.7

Méthode d’épinette Lambert, Val-d’Ajol, rond 1910
Fig.8

Een toeristische prent uit de Vogezen: Sérénade à l’épinette des Vosges, postkaart opgestuurd in 1959
Ontstaan en verspreiding in de Vogezen
De eerste hommels werden waarschijnlijk rond 1500 gemaakt in het Germaanse Noorden van Europa, wellicht in Noord-Duitsland. In de zestiende en zeventiende eeuw verspreidde de hommel zich over een groot deel van het Germaanse cultuurgebied, en van daaruit ook naar enkele aangrenzende gebieden. Ten laatste in de achttiende eeuw kwam hij ook terecht in de Vogezen, het Franse gebergte langs de Rijn, die de huidige grens met Duitsland vormt. In de Vogezen werd het nieuwe instrument ‘épinette’ genoemd, naar die andere épinette, in het Nederlands ‘spinet’, een klavierinstrument dat verwant is aan het klavecimbel en eveneens behoort tot de grote familie van de getokkelde citers. (1) Om de volkse épinette te onderscheiden van het burgerlijke klavierinstrument, ging men haar vanaf de late negentiende eeuw ook ‘épinette des Vosges’ noemen. (2)
Net als de andere hommels in Noordwest-Europa wordt de épinette doorgaans op een tafel gelegd en zittend bespeeld, waarbij de snaren volgens de traditionele speelwijze worden verkort met een stokje in de linkerhand en getokkeld met een plectrum in de rechterhand. (3) Zoals elders speelde men in de Vogezen voor het eigen plezier of om liedjes of dansen te begeleiden tijdens familiefeesten of samenkomsten van buren en vrienden, ’s avonds of op zondagnamiddag. (4) ’s Zondags werden er ook wel religieuze gezangen op begeleid. Als instrument voor de huiskamer was de épinette ook in de Vogezen het enige volksinstrument dat veel door meisjes en vrouwen werd bespeeld.
Er is geopperd dat de hommel naar de Vogezen kan zijn meegebracht door Zweedse of Duitse soldaten tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) (5), maar concrete aanwijzingen daarvoor zijn er niet. Dat de volkse épinette haar naam deelt met een klavierinstrument, maakt de interpretatie van vroege schriftelijke bronnen er niet makkelijker op. Zo is lang niet iedereen ervan overtuigd dat de mogelijk oudste vermelding, in een kerkrekening uit 1723, wel degelijk op de volkse épinette slaat. (6) Dat jaar kocht een kapelaan van Gérardmer (departement Vosges) voor het bescheiden bedrag van 35 francs en 5 gros ‘Des Espinettes seruantes pour aprendre des Escoliers a toucher de L’orgues’ (‘espinettes’ die dienen om de scholieren orgel te leren spelen’). (7)
Het is evenzeer de vraag of het ‘spalterium [sic] avec un jeu d’épinette taxé une livre’ dat in 1730 werd opgenomen in een boedellijst in Fougerolles (departement Haute-Saône), naar het volksinstrument verwijst. (8) De vermelding van een ‘spalterium’ en de eerder geringe waarde, zowat één tot twee daglonen van een handarbeider, zouden hier wel aanwijzingen voor kunnen zijn. (9) Of was die ‘jeu d’épinette’ eerder op uit wilgentenen gevlochten kooien om gevogelte vet te mesten? (10)
Wat er ook van zij, zeker is dat de épinette in de late achttiende eeuw helemaal ingeburgerd was in een deel van de Vogezen. De oudste met naam bekende speler en bouwer, Claude Joseph Vincent (‘le père Vincent’, Val-d’Ajol, 1753-1830), noemde de épinette ‘l’instrument de nos montagnes’. (11) De épinette werd inderdaad vooral gemaakt en bespeeld door de boeren in de bergen en kwam veel minder voor in de steden en valleien. (12)
De streek van Val-d’Ajol zou tot in de twintigste eeuw het kerngebied van de hommeltraditie in de Vogezen blijven. Het blijft zeer de vraag waarom de hommel net daar wortel heeft geschoten en helemaal niet in de naburige Elzas of elders in Lotharingen.
Dorothée Vançon en het toeristische succes van de épinette
In de negentiende eeuw groeide de épinette uit tot het muzikale embleem van de Vogezen. Dat had alles te maken met de ontwikkeling van het kuurtoerisme in de streek. Een uitstap die de kuurgasten van Plombières-les-Bains niet mochten missen, was een ritje van vijf kilometer met de paardenkoets of op een met gebladerte overdekte ossenkar naar het plateau des Charrières, hoog boven de vallei van de Combeauté, in de gemeente Val-d’Ajol. Daar had de dagloner en klompenmaker Jean-Baptiste Vançon in de jaren 1790 een feuillée gebouwd, een landelijke afspanning met panoramisch terras onder het lover van de bomen.
De beau monde genoot er van de simpele geneugten van het landleven: een goed glas melk, huisgebakken roggebrood, kirsch, plattekaas en ander lokaal lekkers. Maar wat deze feuillée zo bijzonder maakte, was de mooie stem en het sprankelende hommelspel van Dorothée, een van de elf kinderen van Jean-Baptiste. Dorothée Vançon (1805-1878) kreeg veel hoog bezoek: van Marie-Thérèse, dochter van Lodewijk XVI, in 1828 tot keizer Napoleon III in 1856, 1858 en 1865, en de componist Hector Berlioz in 1856 en 1857. (13) Veel bezoekers waren zo gecharmeerd door de épinette van Dorothée dat ze er graag zelf eentje als souvenir wilden meenemen.
Het succes van de épinette des Vosges was van dien aard dat verschillende handige boeren uit de buurt zich in de winter gingen toeleggen op de bouw van het instrument. Een van de meest productieve makers was Amant Constant – kortweg Amé – Lambert (1843-1908). In de wintermaanden maakte hij tot 150 instrumenten klaar voor verkoop tijdens het toeristische seizoen. (14) In 1875 kocht hij de feuillée Dorothée, zoals hij de plek voortaan noemde, op lijfrente (15) en bouwde hij ze uit tot een toeristisch centrum met rustieke chalets en later ook een hotel. (16)
Het hier besproken instrument: een werkstuk van Amé Lambert uit circa 1895
Dit exemplaar is karakteristiek voor de verfijnde productie van Amé Lambert in de jaren 1885-1895. Zijn épinettes waren toen ongeveer 60 cm lang, hadden 17 frets voor een diatonische toonschaal (sol-la-si-do-re-mi-fa-sol-la-si-do-re-mi-fa-sol-la-si-do), twee gelijkgestemde melodiesnaren (sol) en drie begeleidingssnaren die samen een grote drieklank vormen (van buiten naar binnen: do-mi-sol).
De snaren worden gestemd met zijdelingse houten schroeven. (17) Kenmerkend voor de vormgeving in deze periode zijn de elegante krul aan het schroevenstuk en de beide klankgaten in de vorm van een hartje en een klavertjevier. Op de rug is met een verhitte metalen stempel een driehoekig merk ingedrukt met de woorden A. LAMBERT / FEUILLÉE / DOROTHEE / VALDAJOL VOSGES. Dit merk gebruikte Amé Lambert rond 1880-1900. (18)
Het bovenblad is beschilderd met een kleurige bloemenrank en gesigneerd met de initialen A. B. Die verwijzen naar Albert Balandier (1872-1945), de kunstzinnige schoonzoon van Amé Lambert. In 1895 trouwde Albert Balandier met Amé’s dochter Gabrielle en hij zou het épinettefabriekje van zijn schoonvader voortzetten tot in de Eerste Wereldoorlog. (19) Alles wijst er dus op dat deze épinette rond 1895 werd gemaakt.
Het instrument werd tussen 1914 en 1928 aan het museum geschonken door ene ‘Mme. J. Haps’. Ongetwijfeld gaat het om Marie Haps (1879-1939), née Marie Frauenberg, die getrouwd was met Joseph Haps, een Belgische financier. In 1919 stichtte Marie Haps in Brussel een hogeschool voor meisjes. Haar naam leeft voort in de Faculté de traduction et d’interprétation Marie Haps Saint-Louis, een faculteit die deel uitmaakt van de UCLouvain. (20)
Pierre Duval & Chantal Regennass-Lepaul, ‘La Valse de Dorothée’, op Épinette des Vosges, AVDAM / Conseil général des Vosges, ILD 621004, 1992, track 12
Voetnoten
(1) De meervoudsvorm épinettes was in de Vogezen tot ver in de twintigste eeuw veel gebruikelijker dan de enkelvoudsvorm épinette. (Michel 1978, p. 144.)
(2) Een van de eerste vermeldingen staat in Mahillon 1880, p. 350.
(3) Van N. Roussel, organist in Val-d’Ajol, vernam Victor-Charles Mahillon dat de beide melodiesnaren in unisono bespeeld werden met een rieten stokje, maar ook tweestemmig met de vingers: ‘(…) en appuyant l’index sur la première corde et le médius sur la seconde lorsqu’on joue en tierces. Pour les autres intervalles on se sert des deux autres doigts.’ (Mahillon 1880, p. 351.) Dit is de enige bekende vindplaats uit de negentiende eeuw voor het spelen met de vingers.
(4) Grossier 1960, p. 97-98.
(5) Michel 1960, p. 95; Michel 1984, s.p.; epinette.des.vosges.free.fr/Historique.htm (geraadpleegd op 06.10.2026).
(6) Een van de sceptici is Pierre Duval, die zijn standpunt uiteenzet op epinette.des.vosges.free.fr/Historique.htm (geraadpleegd op 11.02.2016). Ook de Franse musicoloog Fabien Guilloux (IReMus, Parijs) denkt eerder aan het klavierinstrument. Dat werd in pensionaten, kloosters en scholen vaak gebruikt bij het muziekonderricht. De relatief lage uitgave, die eerder op het volksinstrument zou wijzen, hoeft niet noodzakelijk op de totale kostprijs te slaan (e-mail aan Anne-Emmanuelle Ceulemans van 15.02.2016). Volgens Michel 1978, p. 145, wijzen daarentegen zowel de prijs als de meervoudsvorm in de richting van het volksinstrument.
(7) Een foto van dit document is opgenomen in Michel 1978, p. 157 en Dutertre 1997, p. 13.
(8) Geciteerd in Michel 1978, p. 145 en Michel 1968, p. 26.
(9) www.histoire-genealogie.com/Les-salaires-de-nos-ancetres?lang=fr.
(10) Mondelinge mededeling van Pierre Duval op 13.08.2016.
(11) [Mengin-Fondragon] 1830, p. 204-205 (geciteerd in Michel 1968, p. 27). De baron bezocht le père Vincent in 1817 (Dutertre 1993, p. 69).
(12) Michel 1984, s.p.
(13) Michel 1968, p. 27; Michel 1978, p. 145-146.
(14) Michel 1968, p. 28; Michel 1978, p. 146.
(15) Volgens Michel 1968, p. 27.
(16) Michel 1968, p. 28.
(17) Tot circa 1885 maakte Amé Lambert kortere instrumenten (50-55 cm), zonder krul en met veertien frets. Vanaf 1895 verving hij de houten schroeven door metalen stemmechanieken (Michel 1968, p. 28-29; Michel 1978, p. 146).
(18) L’instrument de musique populaire 1980, p. 57 en 66.
(19) Tot 1915 volgens Dutertre 1997, p. 11 en Dutertre 1993, p. 79; tot 1917 volgens Christophe Toussaint (e-mail van 09.08.2016). Na de oorlog kocht Albert Balandier hotel Windsor in Cannes. Voortaan pendelde hij tijdens het zomerseizoen tussen de Vogezen en de Azurenkust in het winterseizoen. Daarmee kwam een einde aan zijn activiteiten als épinettebouwer (Michel 1968, p. 29).
Bibliografie
- Dutertre, Jean-François, ‘La leçon d’épinette’, in Les Ménestrels de Gérardmer. Arts et traditions de la Vallée des Lacs. Colmar-Kingersheim: Édition SAER, 1978, p. 159-164.
- Dutertre, Jean-François, ‘La belle ajolaise. Tourisme balnéaire et lutherie populaire’, in L’air du temps. Du romantisme à la world-music. Saint-Jouin-de-Milly: FAMDT, 1993, p. 68-81. (Collection Modal.)
- Dutertre, Jean-François, ‘L’épinette des Vosges’, in Christophe Toussaint (red.), Épinettes des Vosges et d’Europe. Catalogue de l’exposition. Socourt: Foyer Rural / Fédération Départementale des Foyers Ruraux des Vosges, 1997, p. 7-17.
- Grossier, Jean, ‘L’épinette dans la Vallée des Lacs’, in Au Pays des Lacs. Arts et Traditions des Hautes-Vosges. Gérardmer: Les Amis du Vieux Gérardmer, 1960, p. 97-105.
- L’épinette des Vosges. Fougerolles: ADDIM 70, 1984.
- L’instrument de musique populaire. Usages et symboles. Paris: Éditions de la Réunion des musées nationaux, 1980.
- Mahillon, Victor-Charles, Catalogue descriptif et analytique du musée instrumental du Conservatoire royal de Bruxelles (...). Gand: C. Annoot-Braeckman, 1880, p. 350-351.
- [Mengin-Fondragon], baron de M., Une saison à Plombières. S.l., 1830.
- Michel, Guy Jean, ‘L’épinette des Vosges’, in Au Pays des Lacs. Arts et Traditions des Hautes-Vosges. Gérardmer: Les Amis du Vieux Gérardmer, 1960, p. 93-96.
- Michel, Guy Jean, ‘La fabrication de l’épinette des Vosges à Fougerolles et au Val d’Ajol du XVIIIe au XXe siècle’, in Mémoires de la société d’agriculture, lettres, sciences et arts de la Haute-Saône, nouvelle série, nr. 1. Vesoul, 1968, p. 23-34.
- Michel, G.J., ‘La bûche à musique: épinette des Vosges’, in Les Ménestrels de Gérardmer. Arts et traditions de la Vallée des Lacs. Colmar-Kingersheim: Édition SAER, 1978, p. 140-158.
- L’épinette des Vosges, website van de vereniging L’épinette des Vosges uit Plombières-les-Bains, met teksten van Pierre Duval: epinette.des.vosges.free.fr/Historique.htm.
- Épinette, website van épinettebouwer en -speler Christophe Toussaint uit Dommartin-lès-Remiremont: epinette.free.fr.
- Épinettes et cetera, website van Jean-François Mazet: epinettesetcetera.com.