Juli 2024

De klok van Avignon-lès-Saint-Claude: een historisch getuigenis
Meer dan drie eeuwen lang was deze klok de ziel van het dorpje Avignon-lès-Saint-Claude in de Jura (Oost-Frankrijk). Met haar geklep waakte ze over de omliggende wouden en weilanden. Ze werd gegoten in 1664 en hing in de toren van een kapel die enkele jaren eerder, in 1649, was gebouwd uit dankbaarheid omdat het dorp was gespaard gebleven van de pestepidemieën van 1629 en 1636. De kapel werd toegewijd aan Sint Rochus, beschermheilige tegen de pest, zoals blijkt uit de inscriptie STE ROCHAE ORA PRO NOBIS op de klok zelf.
De klok draagt op haar mantel verschillende afbeeldingen: een groot kruis versierd met plantenranken, een barokke calvarie bekroond met de zon en de maan, de Maagd Maria, Sint Rochus met zijn hond, en een zegenende bisschop met een kind aan zijn voeten. Dit is Sint Claudius, bekend om het tijdelijk tot leven wekken van doodgeboren kinderen voor het doopsel.
Omdat de klok gebarsten was, werd ze in 1975 vervangen door een nieuwe en opgenomen in de collecties van het MIM.
De klokkengieter en het rondtrekkende gieten
Deze klok is gemaakt door Michel Jolly, een klokkengieter uit Breuvannes-en-Bassigny, die door zijn vier zonen werd opgevolgd. In die tijd was de Bassigny, nabij Langres, een bekend centrum van rondtrekkende klokkengieters. Vanaf de 16e eeuw trokken ze van lente tot herfst door Oost-Frankrijk en de aangrenzende Zwitserse kantons. Ze sloegen hun tenten op waar ze nodig waren. Vaste ateliers verschenen pas laat in de 19e eeuw. Klokken werden dus ter plaatse gegoten, vaak voor of zelfs binnen in de kerk, zoals de twee gietmallen in het souterrain van de nabijgelegen kerk van Saint-Lupicin bewijzen.
Het gieten van een klok was een belangrijk evenement in een dorpsgemeenschap, geregeld via een contract tussen klokkengieter en parochie. Bewaarte documenten tonen vaak de grote inzet en enthousiasme van de bevolking, en bevatten verrassende details over de materialen die beschikbaar gesteld werden: tot dertig karren klei en steen voor de mal en oven, tot dertig karren hout en kolen als brandstof, en de inzet van arbeiders om klei te kneden, hout te klieven en de klok in de toren te hijsen. De klokkengieter kon rekenen op veel lokale steun.
Het gietritueel en de inzegening van de klok
Nadat de mal was gemaakt en begraven in een put, werd deze zorgvuldig afgedekt. Het metaal, een legering genaamd ‘airain’ van circa 80% koper en 20% tin, werd verhit in een oven tot 1200°. Elke gieter had zijn ‘geheime’ recept, wat het gietproces mysterieus maakte. Wanneer het metaal vloeibaar werd, ging het luik van de oven open en vloeide het glinsterend door een kanaal naar de mal, waarna het verdween in de aarde. Dit duurde maar kort. Vroeger gebeurde dit vaak ’s nachts, wat het spektakel en de magie voor het verrukte publiek nog vergrootte.
Na het verwijderen en wassen van de klok werd deze ingezegend – of ‘gedoopt’ zoals men zegt. De klok kreeg een naam, Marie-Joseph, en een peter en meter, F. IAILLO en DENISE COLIN. Het is niet precies bekend wie zij waren, maar de familienamen waren destijds in het dorp bekend. ‘F. Iaillo’ was ongetwijfeld een lid van de familie Jaillot, die ook twee broers voortbracht met een opmerkelijke carrière aan het hof van Lodewijk XIV: Hubert (1640-1712), een vooraanstaand geograaf, en Pierre Simon (1631-1681), een beroemd ivoorsnijder. Andere Jaillots uit Avignon-lès-Saint-Claude maakten ook carrière in Parijs. In een dorp van amper 120 inwoners waren deze Jaillots waarschijnlijk familie van de peter van deze klok. Hoe precies, is nog onderwerp van onderzoek.
Tekst: Stéphane Colin