Augustus 2026
Fig.1

Charango, Peru, vóór 1928, inv. 3383
Fig.2

Charango, Peru, vóór 1928, inv. 3383
Fig.3

Charango, Peru, vóór 1928, inv. 3383
De charango uit de Andes
De charango is een klein Zuid-Amerikaans broertje van de Spaanse gitaar. Men neemt aan dat het instrument zo'n driehonderd jaar geleden ontstaan is in de zilverstad Potosí, in het huidige Bolivia. Wellicht werd het bedacht door inheemse muzikanten, naar het voorbeeld van de gitaren of mandolines van de Spaanse kolonisatoren. Het verhaal gaat dat zij niet goed wisten hoe ze een houten klankkast moesten vervaardigen. Daarom gebruikten ze het pantser van een gordeldier, een armadillo. Vanuit de streek van Potosí verspreidde de charango zich langs de belangrijkste handelsroutes over een groot deel van de Andes. Zo raakte hij ingeburgerd in Bolivia, Peru en het noorden van Argentinië. Hij is er nog altijd een geliefd dansinstrument, dat zowel solistisch als in ensembles wordt bespeeld.
In zijn huidige, meest courante vorm heeft de charango een houten, gitaarvormige klankkast, is hij ongeveer 65 cm lang en bespannen met vijf dubbele snaren. Er bestaan echter ook varianten met bijvoorbeeld vier enkele snaren of vijf driedubbele snaren. Heel bijzonder aan de charango is dat alle snaren meestal gestemd zijn binnen één octaaf. Dat zorgt voor een compacte, doordringende klank.
De charango van het MIM
Dit oude exemplaar uit de collectie van het MIM (afb. 1) – een van de acht charango's in onze collectie – komt uit Peru. Het instrument heeft nog het traditionele pantser van een gordeldier (afb. 2 en 3) en telt vijf dubbele metalen snaren. Samen met zes andere Peruviaanse instrumenten werd deze charango omstreeks 1930 geschonken aan het MIM door de muzikant en componist André Sas Orchassal (Parijs, 1900 – Lima, Peru, 1967).
André Sas studeerde viool aan het Conservatorium van Brussel en bekwaamde zich later in Parijs in harmonie, contrapunt en fuga. Toen hij nauwelijks 24 jaar oud was, werd hij door de Peruviaanse regering aangeworven om in Lima viool te doceren en er het orkest van de Nationale Muziekacademie te leiden. Sas verdiepte zich er in de inheemse traditionele muziek, publiceerde erover en liet zich er ook door inspireren voor zijn eigen composities.
André Sas – inmiddels genaturaliseerd en bekend onder de voornaam Andrés – kwam slechts zelden terug naar Europa. Het is evenwel bekend dat hij in 1928 in Brussel was. Wellicht bracht hij toen de instrumenten mee en schonk hij ze aan het MIM. De toenmalige conservator Ernest Closson was een goede bekende, want Sas had bij hem muziekgeschiedenis gestudeerd.
Tekst: Wim Bosmans