
De evolutie van de cello in Italië
Italië wordt vaak genoemd als de geboorteplek van de cello, omdat hier ook de meeste sporen van de vioolfamilie terug te vinden zijn, vanaf de vroege 16e eeuw. Steden als Milaan, Mantua, Ferrara en Venetië stonden bekend om hun bloei van deze instrumenten. In deze periode maakte de cello deel uit van ensembles van drie tot zes violen van verschillende afmetingen; deze formaties speelden vooral dansmuziek en zorgden voor vermaak aan de Italiaanse hoven. Pas in de barokperiode kreeg het solokarakter van de instrumenten steeds meer aandacht.
In Emilia-Romagna (Bologna-Modena) werden de eerste echte cellosonates geschreven. Kort daarna ontstond de school van Napels, waar de duimpositie werd geïntroduceerd, waardoor ook hogere tonen gespeeld konden worden. Pergolesi en Lanzetti stamden beiden uit de Napolitaanse conservatoria, waar enkele belangrijke vroeg-18e-eeuwse componisten en instrumentalisten werden opgeleid. Lanzetti bracht zijn expertise naar Engeland via Parijs, waar hij in 1736 het publiek van het Concert Spirituel verbaasde. Datzelfde publiek had in 1728 al enorm genoten van Vivaldi’s Vier Seizoenen. Lanzetti liet ongeveer een dozijn cellosonates na, waarvan er zes in 1740 in Parijs werden gepubliceerd. Het was echter met Boccherini dat de cellosonate zijn hoogste niveau bereikte. Net als Mozart en Haydn wordt hij beschouwd als een van de grootste componisten van de klassieke periode. Hij legde, samen met enkele andere cellisten van zijn tijd, de basis voor de moderne cello-techniek.
Muzikanten:
- Anna Liets - cello
- Marie Ponseele - cello
- Dominiek Riepe - harpsichord
Programma:
- Muziek van G.B. Pergolesi (1710-1736), S. Lanzetti (1710-1780), A. Vivaldi (1678-1741), L. Boccherini (1743-1805)
