PrintMail this page

Mondtrom

tokkelidiofoon

Deze mondtrom, die buitengewoon versierd is voor een instrument van dit type, werd wellicht al in de 16e eeuw vervaardigd. Hij heeft een kader in smeedijzer waarin een ijzeren tongetje geklemd zit. De mondtrom is een getokkelde idiofoon, wat betekent dat het instrument geen trillende snaar, vel of luchtkolom heeft, maar het materiaal zelf waaruit het instrument vervaardigd is, is verantwoordelijk voor de klank. De versiering met gestileerde planten en arabesken werd er in geëtst. We lezen ook de inscriptie : IUSTINVS LIEVAX AVDENARDE  - VAST INT HAND VER VAN TAND.

Zowel in Wallonië, waar het instrument bekend was onder de benaming gawe, soms ook trompe of, uitzonderlijk ook épinète[1], als in Vlaanderen (tromp, mondtrom, boertromp of recenter ook mondharp), wordt de mondtrom reeds vermeld vanaf de 13e eeuw.  Op het einde van de 14e eeuw wordt hij nog bezongen in een erotisch lied uit het Gruuthuse handschrift. Zowel in onze contreien als in andere Europese regio's heeft ze steevast een erotische connotatie. Komt het doordat het een instrument is dat je in de mond neemt ? Dit wordt in ieder geval steeds in de verf gezet in talloze schilderijen en andere afbeeldingen, maar het weerhoudt een leerling van Memling er niet van om het instrument af te beelden in de handen van een engel die de Heilige Maagd adoreert.

In de praktijk lijkt het instrument vooral gespeeld door jonge jongens,  als we afgaan op de bronnen waarin het beschreven wordt. Hij is ook vaak present op kermissen, bijvoorbeeld op de schilderijen van Pieter Bruegel de Oude, Sebastiaan Vranckx, Pieter Brueghel III, waar hij gespeeld wordt door muzikanten van lage komaf, vaak boeren ook, die zichzelf en een klein publiek vermaken.

De gouden tijd van de mondtrom situeert zich tussen de 15e en 17e eeuw. In de 18e eeuw wordt het instrument meer en meer beschouwd als kinderspeelgoed. In de romantiek krijgt het weer wat mee aandacht, getuige daarvan is een opmerkelijke affiche uit 1821 die een concours in Oudenaarde aankondigt, voor de liefhebbers van het tromp-spel.  Dansmeester Joseph Matthau (1788-1867) ontwikkelt een virtuoze speeltechniek. Na de tweede Wereldoorlog verdwijnt het instrument echter bijna volledig bij ons, op enkele uitzonderingen na.

Mondtrommen werden naar alle waarschijnlijkheid gemaakt door ijzersmeden : 'C'était un petit instrument en fer ou en acier totalement oublié aujourd'hui, façonné par des ferronniers* ** in de streek van Luik werd het ook wel door wapenmakers vervaardigd. Het wordt me de linkerhand voor de halfgeopende mond gehouden, de twee uiteinden tegen de lippen of tanden. Met de rechterhand wordt het tongetje getokkeld, zodat het trilt in de mondholte. De klanken die aldus geproduceerd worden zijn natuurlijke boventonen, de toonhoogte wordt aangepast door de mondstand te veranderen, alsof er verschillende klinkers worden uitgesproken. De mondtrom wordt vooral voor traditionele  melodieën gebruikt, al kan er verbazingwekkend virtuoos op gespeeld worden, zoals in het concerto voor mondtrom, mandore en orkest van Johann Georg Albrechtsberger.

* J.F. Xhoffer, Dictionnaire wallon, Verviers, 1860.

** G. Ducarme, de Rance, bijdrage in het Musée de la vie wallonne, 1929, n° 12 G.I.I.

 

Media
Images: 
Mondtrom, "Reuzenlied", Bernard Vanderheyden