PrintMail this page

Mangbetu hoorn

aërofoon

Deze hoorn kwam het mim binnen in de zomer van 1983. Volgens Émile Deletaille, de Brusselse handelaar in etnografische kunst die het instrument had verkocht aan het mim, was de hoorn een prestigieus instrument uit het begin van de 20e eeuw. Opvallend waren de fijne figuratieve tekeningen, 'heel naïef, en vol humor', die waren gegraveerd op de beker.

De hoorn is gesneden uit de slagtand van een olifant. De maker vijlde een aanzienlijk deel ivoor weg om te komen tot een recht, tamelijk klein instrument met een messcherpe rand onderaan, een mondstuk in reliëf opzij en een decoratief hoofdje gebeiteld bovenaan.

Het instrument kwam van de Mangbetu, een machtig Bantu volk dat leefde in de streek langs de Uele-rivier in het Noordoosten van de huidige Democratische Republiek Congo. Ivoren hoorns, of nambrose (namburuse) of nekpanzi zoals ze lokaal werden genoemd, waren sleutelattributen in het hofleven van de Mangbetu. Ze behoorden tot de regalia van de chef en werden als dusdanig alleen gemaakt op zijn bevel. Ze symboliseerden zijn macht en leiderschap. Ze deden dienst als signaalinstrumenten en kondigden zijn aankomst en vertrek aan, en ook zijn oorlogsoverwinningen. Ze werden geblazen tijdens visites aan naburige chefs. Ze speelden per twee in het hoforkest, samen met houten spleettrommen, keteltrommen, metalen bellen en rammelaars. Tijdens hofceremonieën speelden ze onder meer als de koning danste, die daarmee zijn bekwaamheid als machthebber aantoonde, want goed kunnen dansen stond voor intelligentie en leiderskwaliteiten. Hoorns deden ook dienst als diplomatische giften, als toonbeeld van de rijkdom van de stam en van de goede relaties met de collega-chefs - in die zin liet de chef dus hoogstaande instrumenten maken die niet noodzakelijk dienden om bespeeld te worden.

Hoorns maken was een taak exclusief voorbehouden voor de smeden. Ze behoorden tot een beschermde, gevreesde en rijke kaste, en enkel zij bezaten de metalen werktuigen die vereist waren om een hoorn te snijden. Gaetano Casati, de Italiaanse cartograaf die door de streek van de Uele reisde in het begin van de jaren 1880, zag ivoorsnijders aan het werk en schreef nadien:

De elegantie van al hun objecten doet vermoeden dat hun werktuigen zo goed als perfect waren; maar het is hoogst verbazend om te zien hoe goed deze mensen hun inventieve ideeën kunnen uitwerken met zulke gebrekkige en primitieve tuigen (Ten Years in Equatoria, 1891, i.125).

Het ruwe beeldsnijden van de hoorn gebeurde met een bijltje, het verdere snijwerk met een dissel. Voor de fijnere details gebruikte de smid een mes met een lang handvat en een smal lemmet. Het oppervlak polijstte hij met een vochtig blad met een korrelige structuur. Tekeningen van een dissel en een mes gebruikt voor het beeldsnijden zijn te zien op de hoorn van het mim. Het duurde meer dan twee maanden om een hoorn af te werken.

De grote hofhoorns werden horizontaal bespeeld. Erop blazen vereiste een behoorlijke fysische inspanning. Ze werden per twee of meer bespeeld. Elke hoornist speelde een aparte noot, en de meerstemmigheid die men hoorde was het resultaat van het spel van perfect op elkaar afgestemde muzikanten, die om beurten hun noot aanbliezen. Toen de Duitse ontdekkingsreiziger Georg Schweinfurth het hof van koning Mbunza bezocht in 1870, noteerde hij:

'Twee hoornblazers deden een stap naar voor en begonnen solo's op hun instrumenten uit te voeren. Deze mensen waren duidelijk zeer bedreven in hun kunst en brachten klanken voort van zulk volume, zulke omvang en met zulke flexibiliteit dat ze vlot konden overgaan van de klank van het brullen van een hongerige leeuw of het trompen van een woedende olifant naar het geluid van een zuchtend briesje of het gefluister van een minnaar. Een van hen, wiens ivoren hoorn zo reusachtig was dat hij hem nauwelijks in een horizontale positie kon houden, voerde vlugge passages en wendingen uit met zulk een precisie en beslistheid als speelde hij op een fluit' (Heart of Africa, 1874, ii.49-50).

Onze Mangbetu hoorn kwam zo'n 35 jaar geleden in het mim terecht, maar moet ongeveer honderd jaar geleden gemaakt zijn. Ivoren hoorns zoals deze, met gegraveerde tekeningen op de beker, begonnen te circuleren onder westerse verzamelaars vanaf ongeveer 1915, en dat was hoogst waarschijnlijk te danken aan de smaak van een enkele welbepaalde expediteur. 

Het verzamelen op grote schaal van materieel-culturele objecten uit de streek van de Uele begon in de jaren 1890, toen de administratie van Leopold II's Congo Vrijstaat het noordoosten van het land bereikte. Sinds Schweinfurth begon te publiceren over zijn expedities in de streek van de Mangbetu in de jaren 1870, raakten westerse verzamelaars gefascineerd door de uitzonderlijke artistieke output van dit volk. De illustraties in  Schweinfurths invloedrijke Artes Africanae (1874) zette de nieuwe 'koloniale musea' in het Westen aan om kunstobjecten ('ambachtsvoorwerpen') van de Mangbetu en naburige volken ter plekke te gaan verzamelen.

Herbert Lang, de Baltisch-Duitse leider van de Congo-expeditie georganiseerd door de American Museum of Natural History (AMNH), verscheepte bijna 4000 etnografische objecten naar New York tussen 1909 en 1915.  Luitenant Armand Hutereau, uitgezonden door de Belgische overheid om een expeditie te ondernemen naar het noordoosten van Congo, verzamelde meer dan 10.000 objecten voor het Musée d'Afrique in Tervuren tussen februari 1911 en juni 1913. In 1907 schonk koning Leopold II ongeveer 800 stukken uit de Uele-regio aan het AMNH, om zo zijn nieuwe land in de Verenigde Staten te promoten. Later zou hij trouwens ook de expeditie van Lang co-financieren. Enid Schildkrout conservator-emerita van het AMNH die Langs expeditie uitgebreid heeft onderzocht, schat dat tegen 1915 ongeveer 20.000 voorwerpen de regio hebben verlaten. Het spreekt voor zich dat deze plotse westerse belangstelling in de materiële cultuur van een tot dan toe weinig bezochte regio impact had op de lokale productie, niet enkel op het aantal nieuwe artistieke objecten, maar ook op het ontstaan van nieuwe kunstvormen.

Voor ze in contact kwamen met kolonialen kenden de Mangbetu geen traditie van antropomorfe, figuratieve kunst. Hun ivoren hoorns waren niet versierd met gebeeldhouwde hoofdjes en gegraveerde tekeningen - het is veelzeggend dat er geen antropomorfe hoorns voorkomen in Schweinfurth's Artes Africanae. De verhoogde productie van figuratieve Mangbetu kunst op het eind van de 19e eeuw is volledig te wijten aan de stijgende vraag van Europeanen die de regio binnenkwamen. Figuratieve kunst stond toen zeer hoog aangeschreven in de westerse esthetica. Chefs begonnen smeden aan te moedigen om hoofdjes en figuren toe te voegen aan objecten, een traditie die wel al lang bestond bij de naburige Azande. Dus integreerden Mangbetu en Azande kunstenaars typische Mangbetu vormen op kruiken, dozen, messen, haarpinnen en hoorns. Vooral objecten die de verlengde en ingebonden hoofden weergaven, een eeuwenoude gewoonte bij de Mangbetu, werden voor westerse verzamelaars prestigieuze iconen van de 'typische' Mangbetu stijl. Ze 'bewezen' bovendien de rechtstreekse afstamming van de klassieke Egyptenaren. Niangara, Poko en Rungu, dorpen die oorspronkelijk ontstaan waren als koloniale posten, groeiden uit tot belangrijke productiecentra en levendige kosmopolitische plaatsen, waar de aanwezigheid van Europeanen lokale artiesten aantrok.  

Herbert Lang in het bijzonder raakte erg aangetrokken door Afrikaanse figuratieve kunst gedurende zijn verblijf in de Uele-streek. Schildkrout beschrijft hoe de leider van de Congo- expeditie, in tegenstelling tot zijn collega's- ontdekkingsreizigers, lange periodes op dezelfde postvertoefde. In Niangara, Rungu en Poko bouwde hij hechte banden op met de lokale koningen. Chefs zoals Okonda en Senza bemiddelden tussen Lang en de lokale artiesten en zette deze laatsten aan tot het creëren van de soort figuratieve objecten waar Lang van hield. Na verloop van tijd onderhandelde Lang zelf met artiesten en lijkt hun gesuggereerd te hebben om tekeningen aan te brengen op objecten met scènes uit het dagelijkse leven van de Mangbetu. Zo ontstonden onder meer ivoren hoorns met figuratieve graveringen op de beker, een nieuwe, virtuoze vorm van muziekinstrument geconcipieerd als kunstobjecten (en niet om op te spelen).

Tussen 1910 en 1915 werd een groeiend aantal hoorns gemaakt voor export. Aangezien beelden en tekeningen geen speciale symbolische betekenis hadden voor de Mangbetu, en hoorns geen specifieke spirituele waarde, zagen de lokale artiesten er geen probleem in ze te maken in serie.

Ten minste twee kunstenaars werden specialisten in de graveerkunst op objecten: Zaza [Saza] en Songo. Beiden waren Azande die in Poko woonden en hun werk bij gelegenheid ondertekenden. Het is niet geweten of veel andere artiesten expert-graveerders werden. De stijl van alle tekeningen is in ieder geval heel erg verwant, ongetwijfeld deels omdat de artiesten 'opgeleid' werd door dezelfde coach, Herbert Lang.

De tekeningen tonen tafereeltjes uit het dagelijkse sociale en materiële leven van de Mangbetu; ze informeren ons over fauna en flora, over lokale gebruiksvoorwerpen en over gewoontes zoals haarkappen, instrumenten maken, eten, rusten, werken, jagen, ruziemaken, vechten. Ze zeggen veel over de relatie man-vrouw, Afrikaan-Europeaan, en over technologie, politiek. De tekeningen op het instrument van het mim, misschien van de hand van Zaza of Songo, bevatten afbeeldingen van twee Mangbetu mannen en twee Mangbetu vrouwen, met de emblematische verlengde hoofden en elegante waaierachtige kapsels, en van twee messen, een dissel, een vogel en een slang. Op die manier boden Mangbetu artiesten een zicht op hun leven aan verre westerse museumbezoekers.

Kennelijk bereikten niet alle gegraveerde hoorns het AMNH.  De hoorn van het mim is waarschijnlijk tijdens of kort na Langs verblijf in de Mangbetu dorpen gemaakt en werd vermoedelijk opgepikt door een Europeaan in Poko, Rungu of Niangara. Dergelijke hoorns kunnen nog steeds gevonden worden in privé-collecties en duiken occasioneel op bij openbare verkopen.

Na het vertrek van Herbert Lang en het overlijden van chef Okondo lijken nieuwe artiesten deze graveerkunst niet overgenomen te hebben. Figuren snijden in ivoor stierf uit tijdens de volgende decennia en ivoren hoorns waren niet langer in gebruik. Met het verdwijnen van de generatie van Songo en Zaza naar de jaren 1930, maakten de Mangbetu niet langer figuratieve kunst.. 'Zodra het systeem van koloniale overheersing stevig gevestigd was, hadden de chefs niet langer de neiging kunst aan te wenden om in de gunst te komen van koloniale functionarissen', schrijft Schildkrout (African Reflections, 259).

Het is duidelijke dat de Mangbetu hoorn van het mim een exportproduct was voor de nieuwe westerse markt, gemaakt na 1910 en niet veel later dan 1930. Zijn kleine en rechte vorm bevestigd zijn rol als makkelijk transporteerbaar instrument. Het is een zogenaamd 'prototoeristisch' instrument, gecreëerd in de Afrikaans-westerse contactzone, 'besmet' door Europese invloed. Het is opvallend dat tussen de meer dan 10.000 objecten verzameld door Hutereau en nu in het Afrikamuseum van Tervuren, geen enkele ivoren hoorn met gegraveerde tekeningen te vinden is. Hutereau was duidelijk op zoek naar Congolese objecten die nog niet 'aangetast' waren door Europees contact. Met uitzondering van Lang, waren westerse verzamelaars vooral geïnteresseerd in 'traditionele, authentieke, en oude' instrumenten - in antwoord waarop Afrikanen 'authentieke' instrumenten begonnen te bouwen.

De hoorn van het mim behoort tot een 'limited-edition'-reeks van instrumenten uit een vroege koloniale periode, waar Afrikaanse kunstenaars in dialoog traden met westerse verzamelaars en, bewust van hun nieuwe publiek, afbeeldingen incorporeerden in objecten, die hun identiteit markeerden. De tekeningen tonen hoe Afrikanen uit de vroege 20e eeuw zichzelf wilden voorstellen aan de witte man.

Saskia Willaert

Bibliografie

MIM Archives, invoice Émile Deletaille, 10-06-1983

'African Ethnographic Collection' on the website of the American Museum of National History, New York (amnh.org/our-research/anthropology/collections/collections-history/african-ethnography )

Burssens, Herman, Mangbetu. Afrikaanse hofkunst uit Belgische privé-verzamelingen, Brussel, Kredietbank, 1992

Casati, Gaetano, Ten Years in Equatoria and the Return with Emin Pasha, 2 vols., Londen, 1891

Couttenier, Maarten, Congo tentoongesteld. Een geschiedenis van de Belgische antropologie en het museum van Tervuren (1882-1925), Leuven, 2005

Demolin, Didier, Mangbetu-Zaire, notes LP, Paul Collaer, Centre ethnomusicologique, Royal Museum of Central Africa, ECPC03, Tervuren, 1985

Demolin, Didier, 'Music and Dance in Northeastern Zaire. Part 1: The Social Organization of Mangbetu Music', in Enid Schildkrout and Curtis A. Keim (uitg.) African Reflections. Art from Northeastern Zaire, University of Washington Press, Seattle-Londen, 1990, 195-208

Jadinon, Rémy, 'Les instruments de musique en ivoire du Nord-Congo', in Marc Leo Felix (ed.), White Gold, Black Hands : Ivory Sculpture in Congo, vii, Heilunkiang, 2014, 158-243

Janssens, Édouard, Les Belges au Congo: notices biographiques, ii, Antwerpen, 1911

Keim, Curtis A., 'Artes Africanae: the western discovery of 'Art' in northeastern Congo', The scramble for art in Central Africa, ed. Enid Schildkrout, Cambridge, 1998, 109-32

Laurenty, Jean-Sébastien, La systématique des aérophones de l'Afrique Centrale. Planches, Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Tervuren. Annalen 7, 1974

Miller, Thomas Ross, 'Music and Dance in Northeastern Zaire. Part 2: Collecting Culture: Musical Instruments and Musical Change', in Enid Schildkrout and Curtis A. Keim (ed.), African Reflections. Art from Northeastern Zaire, Seattle-Londen, 1990, 209-16

Miller, Thomas Ross, 'The Evidence of Instruments', Anthropology and Humanism Quarterly 17/2 (1992): 49-60

Montagu, Jeremy, Horns and Trumpets of the World. An Illustrated Guide, Lanham, 2014

Schildkrout, Enid, and Curtis Keim, African Reflections. Art from Northeastern Zaire, Seattle - Londen, 1990

Schildkrout, Enid, and Curtis A. Keim, 'Objects and agendas: re-collecting the Congo', in Enid Schildkrout (ed.), The scramble for art in Central Africa, Cambridge, 1998, 1-36.

Schildkrout, Enid, 'Ivories in the Uele Region. Tradition and Innovation', Marc Leo Felix (ed.), White Gold, Black Hands. Ivory Sculpture in Congo, vii, Heilunkiang, 2014, 50-157

Schildkrout, Enid, 'Personal styles and disciplinary paradigms: Frederick Starr and Herbert Lang', in Enid Schildkrout (ed.), The scramble for art in Central Africa, Cambridge, 1998, 169-92

Schweinfurth, Georg, The Heart of Africa. Three Years' of Travels and Adventures in the Unexplored Regions of Central Africa from 1868 to 1871, 2 vols., New York, 1874

Schweinfurth, Georg, Artes Africanae. Illustrations and Descriptions of Productions of the Industrial Arts of Central African Tribes, Leipzig-Londen, 1875

Illustraties

1.      Hoorn mim inv. 1983.033

2.      Dwarsdoorsnede van een slagtand van een olifant en een schets van een hoorn die eruit gesneden wordt (Notes analytiques sur les collections ethnographiques du Musée du Congo, Brussel, 1902, tome 1, fascicule 1, 93)

3.      Detail hoorn 1983.033:  mondstuk

4.      Saza, een Azande expert in ivoorsnijden en graveren (midden), Poko, ca. 1912. Foto: Herbert Lang. Image no. 111657, AMNH Library

5.      Schweinfurth, The Heart of Africa, vol. 2, New York, 1874, tegenover p.74.: 'King Munza dancing before his wives'

6.      Schweinfurth, Artes Africanae, Leipzig- London, plaat XVI: 'Niam-Niam [=Mangbetu]'

7.    Details van een mannelijke en een vrouwelijke figuur op hoorn 1983.033

8.     Details van een mannelijke en een vrouwelijke figuur op hoorn 1983.033

9.     Detail hoorn 1983.033: mes gegraveerd op de beker van de hoorn 

10.  Detail hoorn 1983.033: dissel gegraveerd op de beker van de hoorn 

Muziekfragmenten

1.      'Dansmuziek van chef Senza', opname door Armand Hutereau (tussen 1909 en 1912), in KMMA Archieven 1910 - 1960, Fonti musicali. Africa Museum, fmd 220, 2000. Track 3

2.      Hoorns spelen in hoquetus: 'Welkomstmuziek', Kumbolu, 10/07/1987, opname door Didier Demolin, in Antholgoie de la musique congolaise, vol. 3. Musiques du pays des Mangbetu, Fonti Musicali. Musée royal de l'Afrique centrale, fmd 403, 2005. Track 9

 

Media
Images: 
Hoorn mim inv. 1983.033
 Dwarsdoorsnede van een slagtand van een olifant
Detail hoorn 1983.033: mondstuk
Saza, een Azande expert in ivoorsnijden en graveren (midden), Poko, ca. 1912
'King Munza dancing before his wives',  Schweinfurth, The Heart of Africa, 1874
'Niam-Niam [=Mangbetu]', Schweinfurth, Artes Africanae, Leipzig, 1875
Details van een mannelijke en een vrouwelijke figuur op hoorn 1983.033
Details van een mannelijke en een vrouwelijke figuur op hoorn 1983.033
Detail hoorn 1983.033: dissel met mes gegraveerd op de beker van de hoorn
Detail hoorn 1983.033: dissel gegraveerd op de beker van de hoorn