PrintMail this page

De Tempel van Confucius

idiofoon

De officiële religie van de Mandarijnse cultuur is de leer van Confucius, die meteen ook tot één van de belangrijkste religies van China kan gerekend worden. In de geschriften die aan Confucius (551-479) toegeschreven worden lezen we dat de rites en de muziek die harmonie tussen de mensen moeten bevorderen, erg belangrijk zijn.

De oorsprong van bepaalde instrumenten die tijdens de ceremonieën gebruikt worden gaat terug tot het Neoliticum, er zijn zelfs klankstenen uit die tijd bewaard. De Chinezen maakten al lang geleden een onderverdeling van de muziekinstrumenten op basis van acht klanken, (bā yīn ) die verwijzen naar acht grondstoffen die de instrumenten kenmerken. Deze grondstoffen zijn steen (lithofoon), aarde (fluit in aardewerk), metaal (klok), hout (houten trommels), bamboe (fluiten), kalebas (mondorgel, hoewel dit tegenwoordig niet meer uit dit materiaal vervaardigd wordt), dierenhuid (trommels) en zijde (snaren van de citers et qín).

Deze manier van classificeren, bā yīn, behelst de officiële rituele instrumenten uit China, ze is geen afspiegeling van de meest gebruikte instrumenten in de Chinese muziek. Die zien we eerder in de Chinese opera, waar recentere instrumenten en instrumenten die vaak een niet-Chinese oorsprong hebben, gebruikt worden.

In 1912 werd de republiek China uitgeroepen, als alternatief voor het keizerrijk. De keizerlijke rituelen en de tempels gewijd aan Confucius zijn sindsdien in onbruik geraakt. Het merendeel van de tempels en de instrumenten die er gebruikt werden, werden vernietigd in de loop van de 20e eeuw.

De eerste conservator van het mim, Victor Charles Mahillon, breidde de collectie van het museum uit dankzij contacten in vele landen. Jules Van Aalst, die in 1884 een boek over de Chinese muziek publiceerde, was één van hen. Van Aalst ligt aan de basis van de verwerving van talrijke Chinese instrumenten van de collectie. Deze set instrumenten, die kopieën zijn van de Kantonese tempel van Confucius, is één van de belangrijkste aanwinsten.

In tegenstelling tot de andere verworven instrumenten van het museum zijn deze besteld en gemaakt op vraag van Mahillon rond 1908. Uit de overgebleven correspondentie tussen Mahillon en Van Aalst kunnen we opmaken dat zij niet onverdeeld gelukkig waren met het resultaat en dat de instrumenten eerder gemaakt leken om tentoon te stellen dan om op te spelen. Van Aalst merkte op dat hij in dertig jaar nog nooit xūn en páixiāo fluiten gezien had en dat de Confuciaanse tempel in Kanton er in die hele periode geen enkele bezat. 

Dat neemt niet weg dat het mim op deze manier een belangrijke en zeldzame getuige van de officiële Chinese rituelen bezit, van net voor de val van het keizerrijk, na een traditie van meer dan 2000 jaar.

vertaling: A.Verbeeck

Media
Images: 
George Soulié de Morant, Théâtre et musique modernes en Chine, Paris, 1926
Jules A. Van Aalst, Chinese Music, Shanghai, 1884.
Jules A. Van Aalst, Chinese Music, Shanghai, 1884.